Het ontstaan van de
Vrijwillige Brandweer Schagen


 

Organisatie van de brandweer



Tot 17 september 1756 steunde de brandweer te Schagen op wederzijdse hulpverlening. Bij het uitbreken van brand werd deze met behulp van buren bestreden. Hierbij werd gebruik gemaakt van primitieve bestrijdingsmiddelen. Was er in de directe nabijheid water aanwezig, dan trachtte men zoveel mogelijk door het gebruiken van leren emmers, die ieder burger geacht werd te bezitten, de brand met water te bestrijden. Indien geen water in de naaste omgeving aanwezig was, bepaalde men zich ertoe datgene, wat in brand stond, met haken om te trekken teneinde uitbreiding te voorkomen.
Om het uitbreken van brand zoveel mogelijk te voorkomen werden diverse keuren (verordeningen) uitgevaardigd. Hierin werd onder andere vastgelegd, dat “niemant eenich vlaswerk als braeken, breuken, darschen, swingen ofte eenich ander werk het vlassen rekende sal mogen bij avont ofte bij nachte doen, maer sullen ’t selvige gehouden sijn te doen bij schoonen lichten dage met haer werk afgescheijden van eenich vier of keerse”. Ook was het verboden “gebraekt ofte ongebraekt” vlas te leggen in de nabijheid van of te drogen bij vuur. Niemand mocht zelfs hebben “eniche ruijchte dat van ’t vlassen compt over nachten binnen sijn huijsse”. De boete op het overtreden van deze verboden was vastgesteld op zes gulden.

Bedoelde keuren bleken niet voldoende te zijn om branden te voorkomen, die veroorzaakt werden door het verwerkte vlas in de nabijheid van vuur te hebben, want zij werden op 6 september 1700 vernieuwd en uitgebreid daar “niettegenstaande droevige  voorbeelden ten andere tijden veele ingesetenen haar niet en ontsien omme met het vuur en light seer onvoorsigtigh omtrent brandende stoffen, en insonderhijt vlas en ’t geene daar van af hangt, om te gaan”. In de nieuwe keur worden de verboden uit de vorige keuren herhaald, terwijl alsnog werd opgenomen “dat niemant onder ’t braeken, swingen en heeckelen toback sal mogen roocken” en dat de officier en de bode gerechtigd waren “ten allen tijde oock afsonderlijck, ondersoeck te mogen doen, en sullen op hun woord gelooft werden”. De boete bleef voor de eerste overtreding “ses gld.”, doch wanneer de overtreding ten tweede maal geconstateerd werd, bedroeg de boete twaalf gulden en bij “de derde maal soodanigen grootere of andere straf als schepenen na gelegentheijdt van saacken sullen vinden te behooren. Allentbehalve boven de vergoedinge van schade die ijemant door hun versuijm moghe comen te lijden”.

Na 17 september 1756 wordt de bestrijding van de branden te Schagen georganiseerd. Schout, burgemeesteren en schepenen brengen in “reglement, ordre en keure” ter kennis van de ingezetenen van Schagen een aantal verplichtingen, die iedere burger in den vervolge heeft, ingeval een brand uitgebroken is. Uit de keur blijkt, dat van genoemde datum af de brandweer te Schagen georganiseerd werd. Brandmeesters en “andere officianten”  werden aangesteld.

 “Reglement, ordre en keure op ’t manieren en behandelen der twee brandtspuyten tot Scagen”



Schout, burgemeesteren en schepenen van Scagen overwegende, dat de regeeringe tot merkelijke costen hebbende gekogt twee brandtspuijten het vervolgens nootsakelijk was geworden dat goede ordres wieder gestelt op het manieren en behandelen der selven spuijten soe in ’t doen van jaarlijkse exercitiën als ten tijde van brandt (’t welk nogtans Godt genadiglijk wil verhoeden) hebben daaromme voor een reglement ordre en keure gearresteert en vastgestelt soo als gedaan wert mits desen.

1.   Eerstelijk dat de vier brandmeesters aangestelt over elken spuijt te kennen uijt hare commissiën ten allen tijden nootsakelijk werdende geoordeelt sullen moeten worden gerespecteert en gehoorsaamt niet alleen door alle andere en mindere officianten, maar ook soo wel door alle persoonen behoorende tot de spuijten als verdere burgers dienvolgende sal een ider tot de behandelinge der spuijten betrekkinge hebbende gehouden sijn te weten aangaande de exercitie de welke eenmaal ’s jaars sal worden gedaan uijtgeseyt als anders wierde geoordeelt te behooren op den dage en uur welke bij bekken geslagh sal werden bekentgemaakt sig t’over den raadhuijse tot ’t waarnemen van desselfs pligt te vertoonen en niet mogen aftrekken voor alles sij verrigt en daartoe verlof van de brandmeesters of kwartiermeesters waaronder sij behooren sullen hebben verkregen. En aanlangende de handhavinge van ’t geene in tijdt van noodt wert vereijst sigh te vertoonen flivo op ’t kleppen der klok ter plaatse als art. 5 wert gemelt en sigh behoorlijk moeten quijten van sijn plicht op poene, dat uijt een of ander geval op de klagte van brandmeesteren sal werden verbeurt ten behoeve van den schout en armen door ider gebrekige te weten in een simpele exercitie de somma van f 1,10 en in tijden van noodt verdubbelinge van boeten behoudentlijk dat op regtelijke redenen van excuus altijd discretie plaats sal werden aangenomen, uijtgenomen ziekte mitsgaders uijt sijn van schippers en denselven knegts met de schuijten, doctoren en chirurgijns na zieken, en aannemers van werken na buijten met het onderhoorige volk of arbeijders mitsgaders andere wettige verhinderingen.

2.   Dat alle burgers onder het district van Scagen present sijn ten tijde van brandt, schoon niet belast met eeniche bedieninge aan de brandt te spuijten op ordre van de brandmeesters verpligt sullen sijn aan te tasten en verrigten van ’t geene haar mogte worden gelast sonder te mogen vertrekken voordat verlof sal hebben bekomen alles op de boeten als voren.

3.   Dat in cas van brandt de bewoners van ’t selve huijs en daer en boven soodanigen burger als de brandt eerst mogte ontdekken sulcs terstont sullen moeten uijtroepen op straat. Voorts aan drie huijsen ten wedersijden bekent maken gelijk ook al roepende langs straat aan de naaste brandmeesters op een boete van f 10 gld. ten behoeve als voren, behoudelijk dat ten opsigte van de buijten buurten sulcs ten reguarde den boeten sal werden geoordeelt na discretie, insgelijks sal ook de nagtwagt welke als dan gaat verpligt sijn tot het uijtroepen der brandt waarschouwelijk kloppen en wat dies meer sij op vorige boeten.

4.   Dat in cas van noot ider brandmeester verpligt sal sijn ten spoedigsten de kerkedeur te openen, de groote klok doen kleppen en de brandspuijthuijsjes te weten ider de sijne te ontsluijten.

5.   Soo ras of eerder als de klok begint te kleppen sullen alle bediendens van elke spuijt sigh bij deselve moeten laten vinden de selve met alle het toebehooren benevens de leeren emmers en twee brandladders, cito in aller spoet vervaren ter plaatse noodigh, alles ider op sijn post gereetmaken op bekomen ordre van de brandmeesters, doch eerder niet de spuijten doen speelen sullende die bediendens van den spuijt welke eerst gaat voor een praemie genieten van burgemeesters de somma van f 30 gld. na ’t blussen der brandt alles verrigt uijt geene brandmeesters sullen ordonneren, sonder eerder te mogen vertrekken sonder verlof op de boeten in cas van exercitie f 1,10 en in tijdt van noodt f 3 gld. ten behoeve als voren selfs ook ten reguarde van ider brandmeester als deselve versuijmigh is in sijn plight.

6.   Dat ook niemandt van de omstanders wie hij sij sal mogen dringen door of binnen den kring sluijters ten wedersijden staande dewelke tot een teken van haar bedieninge ider sal werden gegeven een geschilderde stok op de boeten van ses gld. in tijdt van brandt nogh geene persoonen als daar toe door de kringsluijters gepermitteert sigh mogen bemoeijen met ’‘ wegdragen van eenige goederen op vorige boeten.

7.   Dat in cas van brandt niet alleen ider burger verpligt sal sijn omme als ’t geen dagh en is een lantaarn met een brandende kaars daarin te hangen en houden aan desselfs luijf of deurpost tot die tijdt dat de brandt is geblust maar ook daar en boven bij te brengen desselfs leeren emmers en ’t geene verder tot het blussen der brandt mogte werden geoordeelt noodigh te sijn te weten als sulcs in sijn magt sal wesen. Alles op de boete van drie gulden mits dat ’t goet gedaan des dat geen emmers door imandt in ’t water sullen mogen werden geworpen op de boete van twee gulden.
Aldus bij renovatie en ampliatie gearresteert den 21 augustus 1756 en den 17 september 1756 na vorigh klokkegeslagh van den puije van ’t raadhuijs van Scagen gepubliceert.
 In kennisse van mij secretaris
C. Kerkhoven
Op 4 september 1793 verscheen een vernieuwde keur op de brandweer, die in druk verscheen.
 

Brand kerktoren Schagen 1895


 
29 augustus 1895.

Het was een marktdag geweest, als alle andere. De meeste boeren, kooplieden en kramers waren al vertrokken. In de verte klonk nog het geschreeuw van een veedrijver, die wat koebeesten naar de nieuwe eigenaar bracht. De grote luidklok in de toren op de marktplaats had vijf uur geslagen. Het was donderdagmiddag 29 augustus 1895.
’Brand, Brand!’ Die kreet deed de nog aanwezigen rond het kerkgebouw op de markt plots opschrikken. ’Brand, Brand!’ Dat was de stem van loodgieter L. Spierings die aan de zuidkant van het kerkdak vlakbij het kleine torentje, wat reparaties aan het dak uitvoerde. Door onvoorzichtigheid met zijn vuurpot had het dak vlam gevat. Aangewakkerd door de zuidwester bries greep het vuur razend snel om zich heen. Toed Spierings merkte dat zijn bluspoging niets uithaalde, was hij luidkeels om hulp roepend en in paniek van het dak gevlucht. Toen de Schager Brandweer onder commando van opperbrandmeester Kweldam met twee spuiten op de markt verscheen stond het dak van de kerk aan alle zijden reeds in lichterlaaie.

 FOTO KERK
 
 
De tien jaar oude spuiten functioneerden naar verwachting. De ene spuit was rood en de andere blauw. De spuitgasten hadden ook rood en blauw op hun kleding. Zo was het makkelijk om te herkennen wie bij welke spuit hoorde. Voor een brand van deze omvang, hoog aan het dak, was de capaciteit van de spuiten echter niet voldoende. Hoewel men met gevaar voor eigen leven het als een fakkel brandende dak te lijf ging. Er werd nog geprobeerd alleen de toren te redden. Tevergeefs. De snelheid waarmee het vuur om zich heen greep moet ontstellend zijn geweest. Brandweer uit omliggende dorpen  werd gewaarschuwd. Spuiten verschenen vanuit Barsingerhorn, Haringhuizen en Sint Maarten. Maar ook toen werd snel duidelijk dat de kerk noch de toren was te redden.
Het werd er niet beter op toen ook de 15.000 turven in het turfhok vlam vatten, wat met een enorme rookontwikkeling gepaard ging. Door de sterke wind ontstond een vonkenregen die neerkwam op de panden aan de noordoostkant van de markt. Er zat voor de vier korpsen niets anders op dan de percelen aan die kant onder controle te houden. Met vereende krachten probeerden zij met name de Rode Leeuw en de ernaast gelegen smederij voor ondergang te behoeden. Maar ook de panden aan beide kanten van de Nieuwstraat liepen groot gevaar. Op verschillende plaatsen ontstonden kleine brandjes. Gebrek aan bluswater, de vrees van iedere brandweerman, was er kennelijk niet. Met het water, vermoedelijk afkomstig uit sloten langs de Loet en aan het Noord (de Gracht was al gedempt) bleven zij elk begin van brand de baas. Hoe groot de vonkenregen en de hitte moet zijn geweest, bleek uit het in brand raken van een kleed op een kippenhok en kleren aan een drooglijn achter de huizen in de Nieuwstraat.

 
Ondanks het vuur in de spits liet de halfuurklok in de toren om half zes toch  zijn geluid nog horen. een uur na het uitbreken van de brand, om zes uur, sloeg de grote klok nog slechts een keer... Dat was tevens de allerlaatste maal. Kort daarna stortte de grote torenklok door de spits, met donderend geraas omlaag.
Schagens Burgemeester Berman was op de fatale dag niet in de stad. Per telegraaf had men hem van het onheil op de hoogte gebracht. Toen hij aankwam met de laatste stoomtrein resteerde van de kerk en toren slechts een smeulende puinhoop. ’s Nachts om half een kon Kweldam zijn spuitgasten, na ruim zeven uren zwoegen laten inrukken.

 
Doordat de kerk was verbrand zou de drinkwatervoorziening in gevaar kunnen komen. Het grote kerkdak diende als opvang van regenwater, waardoor een groot reservoir onder de marktplaats werd gevuld. Nu die voorziening was weggevallen bestond de mogelijkheid, dat vooral de armere mensen zonder eigen watervoorziening , verstoken bleven van drinkwater. Zeker bij langdurige droogte was dit niet ondenkbaar. Voor de brand konden zij altijd een emmer water kopen  voor een dubbeltje bij de pomp op de markt. Nu werd voorgesteld een bron te slaan. Een ander groot gemis was het ontberen van het toren uurwerk. De grote Luidklok, die de arbeidende klasse moest vertellen wanneer zij moesten opstaan, en vooral wanneer zij met het werk moesten beginnen, liet zijn geluid niet meer horen. Het gewone volk bezat geen horloges en was geheel op de toren met de wijzerplaten en klokslagen aangewezen. Ook de schooljeugd had moeite om op tijd te komen.

 

In de raadsvergadering van 3 september van dat jaar bracht wethouder Buis hulde aan de brandweerkorpsen. Zij hadden met grote inspanning en ware doodsverachting het vuur bestreden. Als dank werd hun een premie in het vooruitzicht gesteld voor het onverschrokken optreden. Groot was ook de waardering voor de korpsen uit de naburige dorpen, waardoor groter onheil was voorkomen. Ook de burgerij van Schagen werd bedankt voor de hulp, oplettendheid en betoonde zelfbeheersing.
 


copyright Niestadtcollectie Zijper Museum Schagerbrug.
 
Zes weken na de brand werd in een vergadering besloten om een architect aan te trekken voor het herbouwen van de kerk. De heer van der Steur uit Haarlem kreeg de opdracht drie ontwerpen te maken. Uiteindelijk werd gekozen voor het op de oude kerk gelijkende plan. Wel kwam de toren aan de oostkant in plaats van aan de westkant, en dus naar het centrum gericht. De kosten voor herbouw kwamen uit op fl.74.000,-- voor de kerk en fl.40.000,-- voor de toren. De kerk en toren waren goed verzekerd en financieel leverde dat dus geen belemmeringen op. Met gelukwensen aan ontwerper van der Steur werd de laatste gemeenteraadsvergadering besloten met de woorden: ’Het oude was mooi, maar het nieuwe niet minder’. Er kon herbouwd worden.

 
copyright Niestadtcollectie Zijper Museum Schagerbrug.


Archief brandweer 1912

  
De eerste stukken uit het gemeente archief betreffen een lijst met personeelsleden uit 1912 met de daarbij behorende spuiten.

Daarbij horen ook de Brandroepers, deze vier personen dienen in geval van brand onmiddellijk alarm te blazen. Zij hebben alle vier een aantal straten toegewezen en dienen er voor te zorgen dat al het beschikbare personeel gewekt wordt.
We spreken van 1912 als de Brandweer beschikt over drie spuiten. De Motorspuit, Roode Spuit (Lycurgus) en de Blauwe Spuit deze staan onderleiding van een Opperbrandmeester. Iedere spuit heeft tevens de beschikking over een Brandmeester, een Commandeur, enkele Machinisten, diverse Pijpleiders en Slangleiders. Daarnaast wordt gesproken over Kringsluiters, Lapzakdragers, een conciërge en diverse bezoldigd personeel zoals Pompers en Werklieden en natuurlijk de hiervoor genoemde Brandroepers. Als je de hele lijst optelt kom je op een personeelsbestand van 69 personen.
In de stukken staat: Voor het vervoer van den Motorspuit en den Ladder- en Zeilwagen zullen de navolgende regelen gelden: Bij het uitbreken van brand begeven zich de machinist en de pijp- en slangleiders bij den Motorspuit, zoomede de lapzakdragers en de pijpleiders van den Blauwe Spuit, onverwijld naar het spuithuis teneinde behulpzaam te zijn bij het vervoeren van den Motorspuit en den ladder- en zeilwagen. 
De brandroepers zijn verplicht bij het uitbreken van brand des nachts in de eerste plaats den Burgemeester, den Opperbrandmeester en de brandmeesters te wekken, zoomede den machinist bij den Motorspuit en den Plaatsvervangend Commandant bij den Motorspuit en de Gemeente Veldwachters. Na het alarmblazen begeven zij zich onmiddellijk naar het terrein van den brand en stellen zich ter beschikking van den Opperbrandmeester.

 Archief brandweer 1921

Op 19 mei 1921 gaat de nieuwe instructie voor de Brandwekkers van kracht.
Nu moeten de 4 personen ieder een aantal mensen wekken in een bepaalde volgorde, na het wekken van de personen dienen zij zich met spoed naar den brand te begeven en zich ter beschikking stellen aan den Opperbrandmeester. Het Hoornblazen blijft vanaf nu achterwege.
 

Archief brandweer 1934  

Het is nu 1934, wat er in de tussenliggende periode is gebeurd weten wij niet, maar vast staat dat de Roode en de Blauwe Spuit zijn verdwenen. Er wordt alleen geschreven over de Motorspuit. De Brandwekkers zijn teruggebracht van 4 naar 3 en het personeelsbestand is volgens de papieren geslonken naar 16 man.

12 september 1944,
luchtaanval op het station van Schagen.
 
Op 12 september 1944 staat op het station in Schagen een transporttrein klaar voor vertrek. Ineens duikt een aantal geallieerde jachtvliegtuigen op en begint de trein onder vuur te nemen. Al snel staat niet alleen de locomotief in brand, maar vatten de wagons ook vlam. Plotseling volgt een oorverdovende explosie en voltrekt zich in en om het station een kleine ramp. De wagons van de trein bevatten munitie en het is bijna onvoorstelbaar dat er maar twee doden bij dit ongeluk waren, want de ravage was groot. 

  


Jo Castricum, de man in het midden, staat vertwijfeld naar de puinhopen te kijken. Zijn woonhuis en fietsenstalling aan de Hoep zijn verwoest.

copyright Niestadtcollectie Zijper Museum Schagerbrug.
 
Fotograaf Willem Niestadt fotografeert de verwoestingen. Hij is zich kennelijk niet bewust van de levensgevaarlijke toestand waarin hij zich begeven heeft! Ter hoogte van zijn knie ligt één van de honderden niet ontplofte granaten!
De Hoofdwachtmeester Groepscommandant van de marechaussee, afdeling Den Helder, Groep Schagen schreef op 12 september 1944 het volgende rapport aan de Luitenant Kolonel Gewestelijk commandant te Amsterdam; de Opperluitenant Afd: Commandant te Den Helder; Polizei-Officier beim Beauftrachte te Amsterdam; Burgemeester der gemeente Schagen.
 “Onderwerp: Beschieting van een personen en een munitietrein op het emplacement der Nederlandsche Spoorwegen te Schagen.

Ik heb de eer U Hoogedelgestrenge/Weledelgestrenge/Edelachtbare beleefd te berichten, dat hedenmiddag te omstreeks 12:15 uur een personentrein welke uit de richting Alkmaar kwam en stopte te Schagen tot het in en uitstappen van reizigers, door een tweetal geallieerde vliegtuigen (Jachtvliegtuigen) werd beschoten. Vervolgens beschoten deze eveneens op dit emplacement staande goederenwagons welke waren geladen met munitie der Duitsche wehrmacht. Door deze beschieting geraakte deze wagons in brand met het gevolg, dat de daarin aanwezig zijnde munitie explodeerde. Tengevolge hiervan werd het bergen en het vervoer van de gewonden uit den personentrein zeer gevaarlijk en bemoeilijkt. De alhier aanwezige artsen werden direct door mij gewaarschuwd, terwijl ik onmiddellijk met mijn onderhebbend personeel uitrukte. De navolgende maatregelen zijn door mij ondernomen:

1e         De gewonden van het spoorwegemplacement laten verwijderen, hetwelk onder zeer moeilijke omstandigheden werd uitgevoerd, daar er steeds granaten explodeerden. Deze gewonden zijn vervoerd naar een leegstaande school welke zoo was gelegen dat deze geen direct gevaar liep voor brand of beschadiging.

2e         De aan de Stationsweg en Nieuwe-Laagzijde staande woningen werden op mijn last zoo spoedig mogelijk ontruimd en de bewoners buiten de gevaarlijke zone geleid en vervolgens door mijn personeel laten bekend maken bij de burgerij de ramen en deuren open te zetten om zoodoende de glasschade te beperken.

3e         De bevolking werd door mij, met mijn personeel van de straat gezonden daar de granaten en stukken ijzer der spoorwagons over de geheele gemeente rondsuisden, en zoodoende een grootere ramp te voorkomen. Bij de eerste zware ontploffing brak er brand uit in een perceel op den Stationsweg. Direct werd door mij de brandweer te Schagen gewaarschuwd welke echter niet direct kon ingrijpen, daar er elk moment wederom een wagon met munitie de lucht in kon gaan. Toen deze wagon was geëxplodeerd werd direct met het blusschingswerk een aanvang genomen. Daarna werd de brandweer van Schagen geassisteerd door de brandweer te Alkmaar, Barsingerhorn en St. Maarten, welke het vuur bestreden en wisten te beperken tot drie woningen. Kort daarop brak er wederom brand uit in een belendend kaaspakhuis, welke verbouwd en ingericht was tot woningen voor geevacueerden uit Den Helder. Dit perceel brandde in zijn geheel af. Uit alle woningen kon niets worden gered. Door de zeer zware explocies werden in diverse straten vele woningen zwaar en minder zwaar beschadigd, de glasschade was echter zeer groot. De spoorverbinding werd ernstig beschadigd. Voorzoover mij werd medegedeeld door de behandelende geneesheeren was er een Duitsche militair gedood, terwijl bij de burgerreizigers geen dooden waren doch 13 meer of minder ernstig gewonden, waarvan een met direct levensgevaar. De Luchtbeschermingsdienst van Schagen is ingeschakeld voor bewakingsdiensten. Politieassistentie voor bijstand bleek niet noodzakelijk.”

 
copyright Niestadtcollectie Zijper Museum Schagerbrug.
 
Brandweer in actie met brandweerspuit. Brandspuit aangesloten op de brandkraan. Deze was aanwezig voor de woning van Klaas Bruin, hoek Magnusstraat/Roosstraat.


1946

Brand in het Noord-Hollands Koffiehuis.
 
Een grote brand in 1946, waarbij het tot ver in de omtrek bekend staande Noord Hollandsch Koffiehuis geheel werd vernietigd (de eerste naoorlogse grote brand) was echter de aanleiding voor het toenmalige gemeente bestuur om een brandweervereniging op te richten.
De brand van ’t Noordhollands koffiehuis.
Zondagavond, 15 december 1946 brak in het koffiehuis van Jan Schenk een brand uit. Door kortsluiting in de lichtkroon. Er werd gedanst en de paren vluchtten in paniek de zaal uit. Binnen vijf minuten stond het gebouw in lichterlaaie en doordat de brandweer eerst een half uur na alarmering verscheen, viel er weinig meer te doen dan redden wat er te redden viel. Weldra werden de omliggende gebouwen van Gré Veenis en kruidenier Simons bedreigd. Het vroor bovendien behoorlijk zodat de brandweer niet direct het vuur kon bestrijden.
Om half twaalf hadden ook al “De Roode Leeuw” en de sigarenzaak van Koning vlam gevat. Omstreeks half één was het vuur vrijwel bedwongen en waren de geteisterde gebouwen door het overvloedige bluswater dat bevroor in ware ijspaleizen veranderd. ’t Noordhollands Koffiehuis was niet meer.


copyright:  Niestadtcollectie Zijper Museum Schagerbrug.

 
copyright:  Niestadtcollectie Zijper Museum Schagerbrug.

 
copyright:  Niestadtcollectie Zijper Museum Schagerbrug.

  
foto uit bestand brandweer Schagen 



1947 Oprichting van de Brandweervereniging ”Magnus”
 
1 augustus 1947 is een legendarische datum voor de Vrijwillige brandweer Schagen.  

De vereniging genaamd -Vrijwillige Brandweer ”Magnus” Schagen- is opgericht.
 
Op 3 augustus wordt de eerste bestuursvergadering gehouden ten huize van de voorzitter de heer  P. Groot. Het toenmalige bestuur bestaat dan uit:
  
P. Groot
 Voorzitter
 
M. de Haas
 Secretaris
 
C. Joon
 Penningmeester
 
K. Kruit
 Vice voorzitter
 
Tijdens deze eerste vergadering wordt besloten dat er een wervingsactie wordt gehouden. Er zullen huis aan huis folders verspreid worden, welke later per bellenwagen weer worden opgehaald. Op 8 augustus wordt in café-restaurant ”de Posthoorn” de eerste Algemene Vergadering gehouden. Tijdens deze vergadering worden belangrijke punten op schrift gesteld. Zo is bepaald dat de naam van de vereniging Vrijwillige Brandweer ”Magnus” zal zijn. Door de Burgemeester waren reglementen opgesteld en na het voorlezen werden deze met algemene stemmen goedgekeurd. De uitzonderingsleeftijd wordt van 65 naar 60 teruggebracht en zoals in de bestuursvergadering is voorgesteld blijft het bestuur gehandhaafd. Belangrijk is het opmaken van een punt van aanbeveling voor de vacature van twee brandmeesters, wegens het bedanken van de heren Bremer en Splunter. Na stemming is besloten de heren Dekker en de Haas voor te dragen. In betrekkelijk kort tijdsbestek zijn er verschillende bestuursvergaderingen gehouden om alles goed op de weg te zetten. In één van die vergaderingen werd besloten, dat de heer Heinsbergen van de Brandweer Zaandam de manschappen zou bijscholen, zodat de leden nauwer tot elkaar gebracht werden op de oefeningen en bij branden. 
 
 Geschiedenis brandweer 1948
 
Dat 1948 een belangrijk jaar was voor de brandweer moge blijken uit het feit dat op 27 april om 20.00 uur het nieuwe clubgebouw aan de Loet wordt geopend. Voor de leden, de dames, burgemeester en echtgenote, de raadsleden en de pers alsmede de gemeentearchitect een vreugde volle avond met veel bedankjes over en weer. Tevens wordt de heer W. Band benoemd tot onderbrandmeester der spuitgasten
 
Een grote verandering kwam er in de wijze van alarmeren van manschappen. In Schagen werd overgegaan tot het zogenaamde stilalarm.
 
Door middel van schellen bij de manschappen thuis te laten rinkelen werden de mannen opgeroepen voor hun taak. Het geloei van de sirene was niet meer te horen.
 
Er werd door het korps veel aan de weg getimmerd in de vorm van promotie, wedstrijden, volksspelen enz. Zo werd een partijtje watervoetbal ten overstaan van het publiek zeer gewaardeerd. De maand oktober was een zeer speciale maand, n.l. de vereniging kocht uit eigen middelen  een trekker met babyspuit, wat voor nog zo jonge vereniging een opmerkelijke prestatie genoemd mag worden.
  

  


1949. Een opmerkelijk incident
 
  
Tijdens een bestuursvergadering op 13 april 1949 wordt een incident tussen de brandweer en de Burgemeester besproken.
Op 5 april organiseerde de Schager Slagersvereniging een grote tentoonstelling voor alle slagers uit Noord-Holland. Op 4 april dreigde een catastrofe met de tent te gebeuren. Een zware storm raasde over Schagen en de grote tent werd bedreigd. In allerijl werden pakken stro rond de tent geplaatst en drie hoog opgestapeld. Nadat het gevaar geweken was bleef het stro liggen.
Op 5 april werd door de brandweer in de tent brandwacht gelopen, en door de heer Kruit werd verzocht het stro te verwijderen of nat te maken, daar er brandgevaar aanwezig was. Omdat de belendende percelen slechts op 3 tot 5 meter afstand lagen achtte hij dit noodzakelijk. De Burgemeester Wognum deelde hierop mede dat het stro er bleef en ook niet natgespoten diende te worden. ”Het moet 5 balen hoog worden opgeslagen, dan keur ik het goed.” Hij voegde er aan toe: ”ik ben het hoofd van de brandweer en alle bevelen dienen opgevolgd te worden.” De heer Kruit voegde hier aan toe dat als de Burgemeester vasthield aan zijn standpunt, dat er geen brandwacht gelopen zou worden.
Tijdens de vergadering blijft de heer Kruit bij zijn standpunt in het hiervoor omschreven incident. Hij deelt mede dat de Burgemeester te ver was gegaan en dat bij brand de verantwoording bij de manschappen lag en niet bij de Burgemeester. Commandant Koning is deze mening niet toegedaan.



1953. Spanning in ’t Rijpje.  
 
(Citaat uit de Schager Courant.)
”Drie brandweerkorpsen vochten om het behoud van een boerderij. Enerverende strijd leidde tot winst”.De manschappen van drie vrijwillige brandweren Sint Maarten, Harenkarspel en Schagen hebben in de nacht van zaterdag op zondag vele uren gevochten om het behoud van de door de heer W. Luinenberg aan ’t Rijpje bewoonde boerderij.Een venijnige hooibroei die pas werd geconstateerd, toen de grens voor brandgevaar reeds lang gepasseerd was, heeft vooral de dappere spuitgasten uit Sint Maarten en hun commandant de heer C. Mooij, spannende uren bezorgd. De grote boerderij, eigendom van de heer Brak te Schagen, is behouden gebleven. De brandweren hebben daar aan ’t Rijpje treffend gedemonstreerd dat er door nauwe samenwerking veel is te bereiken.De brandweer van Sint Maarten werd zaterdagmorgen rond half elf te hulp geroepen. Er waren reeds eerder steekproeven genomen met hooi-ijzers, doch gevaar bleek er niet te zijn. Zaterdagavond vertrouwde de heer Luinenberg de toestand echter niet en kwam vast te staan dat een hoeveelheid oud hooi onder de laatste oogst ernstig was gaan broeien en op het punt van ontvlammen was. In allerijl werden maatregelen genomen om het hooi naar buiten te rijden en werd het woongedeelte van de boerderij ontruimd.Tegen half twee achtte commandant Mooij het gewenst hulp bij de buren uit Dirkshorn te vragen. Juist op dat moment raakte de spuit van Sint Maarten door het uitlopen van een lager onklaar, Men slaagde erin water te geven, maar om al het zwoegen niet tevergeefs te doen werd ook Schagen gealarmeerd. Door een knappe organisatie en beleidsvol optreden, doeltreffende hulp van omwonenden en de afzetting van de smalle weg door de Rijkspolitie lukte het de boerderij te behouden. Een wonder, als men weet dat het hout in de schuur op vele plaatsen door het smeulende hooi en de telkens weer opduikende vlammen overal zwart geblakerd was. Pas toen het alweer geruime tijd licht was, stond de overwinning vast.

1963. Nieuwe voertuigen.


Op 28 september is het dan zover, de nieuwe voertuigen voor de vrijwillige brandweer Schagen worden overgedragen. Het betreft hier twee Bedfords (een hogedruk en een lagedruk voertuig. Er werd door de trotse manschappen een demonstratie gegeven op de Markt. Er werd met zeven stralen afgelegd en men vond het resultaat perfect. 

26 januari 1968

Vonkenregen viel op slapend schagen. Hotel ”de Roode leeuw viel ten prooi aan de vlammen”.
 
De vuurregen was afkomstig van het uit de 15e eeuw stammende herberg. Mevr. Huiberts en haar vier gasten wisten gelukkig het pand tijdig te verlaten. In het hotel verbleven drie medewerkers van de Gasunie en de heer V. Nobel, waarnemend chef van de Schager Courant. Deze werd met veel moeite gewekt door de andere gasten. Op dat moment was er sprake van zware rookontwikkeling.
De heer Cor Huiberts was op het moment dat de brand uitbrak niet thuis. Toen hij thuis kwam was de brandweer reeds bezig met blussen. Door de enorme rookontwikkeling liet de brand zich niet zo erg aanzien, maar toen het vuur zich plotseling een weg baande naar het dak stond in korte tijd de hele zaak in lichter laaie. Daarop werd door commandant Boonacker direct assistentie gevraagd aan de Zijpe.
Aan de achterzijde van het perceel was de fa. Wardenaar bezig zijn pand te ontruimen omdat er een hoeveelheid butagasflessen stonden. Al spoedig zou blijken dat ”de Roode Leeuw” niet meer te redden was. De ernaast gelegen alom bekende bar ’d Olde Smidse was het meest kwetsbaar, maar nog lange tijd heeft de brandweer weten te voorkomen dat het vuur oversloeg. De hoop dat de Smidse gespaard zou blijven  bleek ijdel. Toen plotsklaps in één der dakkapellen een raam knapte baande het vuur zich een weg naar binnen in de richting van de trap naar het cafégedeelte.
Door de gezamenlijke inspanning van beide korpsen kon men zo tegen vijf uur zeggen dat er van uitbreiding geen sprake meer was. Duidelijk deed bij deze brand het gemis van een autoladder, met behulp hiervan was de Smidse wellicht gespaard gebleven.

 









Alle gegevens onder voorbehoud van typefouten
Brandweer Schagen .